Consensus

Voodoo or Science?

Praktijk Wim Lasoen

Sleidinge (Evergem)

De eeuwige discussie

Over laseracupunctuur en fotobiomodulatie wordt op twee manieren geschreven. De ene overdrijft: elke aandoening, elk resultaat, geen twijfel. De andere veegt alles van tafel omdat een deel niet bewezen is.

Ongenuanceerde preconceptie en polariserende doctrines helpen de persoon op zoek naar complementaire zorg en/of meer levenskwaliteit geen meter vooruit.

Deze pagina probeert het derde: weergeven wat het onderzoek werkelijk laat zien, inclusief waar het tekortschiet. Wie wil weten of een behandelvorm iets voor hem kan betekenen, heeft meer aan een eerlijke stand van zaken dan aan een belofte.

Wat de wetenschappelijke literatuur zegt over fotobiomodulatie

Fotobiomodulatie (PBM), historisch bekend als low-level lasertherapie, wordt in de wetenschappelijke literatuur beschreven als een veilige, niet-invasieve behandelvorm met aantoonbare klinische effecten. Tegelijk keert in vrijwel elke overzichtsstudie dezelfde kanttekening terug: het onderzoeksveld vraagt om standaardisatie.
De hieronder samengevatte lijn is gebaseerd op onderzoek dat is geïndexeerd in PubMed, de bibliografische databank van de Amerikaanse National Library of Medicine. Wie de onderbouwing zelf wil nagaan, kan daar terecht.

Werkingsmechanisme

Op cellulair niveau is het mechanisme goed onderbouwd. Fotonen uit het rode en nabij-infrarode spectrum worden geabsorbeerd door cytochroom-c-oxidase in de mitochondriën. Die absorptie beïnvloedt de ATP-productie en zet reactieve zuurstofverbindingen vrij die als secundaire boodschappers fungeren — signaalstoffen die herstelprocessen op gang brengen en ontstekingsactiviteit temperen.

Het is geen warmte-effect en geen weefselbeschadiging. Het is een verschuiving in de energiehuishouding van de cel.

Klinische toepassing

De literatuur is het sterkst op drie terreinen:

  • Pijn en ontsteking. Onderbouwing bestaat voor fibromyalgie, artrose-gerelateerde functiebeperking en gewrichtsontsteking.
  • Wond- en weefselherstel. PBM versnelt de genezing van ulcera, traumatische letsels en acute radiodermatitis.
  • Neurologie en oogheelkunde. Een groeiende onderzoekslijn richt zich op cognitieve stoornissen, traumatisch hersenletsel en degeneratieve retinale aandoeningen. Hier is het bewijs jonger en dunner.

Daarnaast bestaat dermatologische toepassing bij huidveroudering, androgene alopecia en acne.

Het parameterprobleem … en wat apparatuur daaraan doet

De belangrijkste methodologische zwakte in het veld is niet het mechanisme, maar de dosering. Golflengte, vermogen, energiedichtheid en behandelduur bepalen samen het effect, en studies onderling gebruiken uiteenlopende toestellen en instellingen. Dat maakt resultaten moeilijk vergelijkbaar en verklaart een deel van de inconsistentie in de literatuur.

Precies daarom is de apparatuur geen bijzaak. De Laserneedle Orthophys levert de gekozen parameters gedefinieerd en reproduceerbaar: wat bij de vorige sessie is toegediend, kan bij de volgende identiek worden herhaald of gericht worden bijgesteld. Dat maakt van dosering een klinische variabele in plaats van een onbekende. De behandeling is dus controleerbaar en herhaalbaar. Wat het niét betekent: dat daarmee bewezen is dát een bepaalde dosis werkt. Nauwkeurige toediening is een voorwaarde voor betrouwbaar onderzoek, geen vervanging ervan.

Datzelfde parameterprobleem verklaart waarom er tussen lichtbronnen grote verschillen bestaan. Toestellen op de consumentenmarkt — led-panelen, handapparaten, wellnesstoepassingen — werken vaak zonder opgegeven vermogen, zonder gedefinieerde golflengte en zonder controleerbare energiedichtheid. Led-licht is bovendien niet gebundeld en niet coherent; de dieptewerking verschilt daardoor wezenlijk van die van laserlicht. Dat betekent niet dat zulke toestellen niets doen. Het betekent dat niet na te gaan is wát ze doen, en dat de studies waarnaar in de marketing wordt verwezen doorgaans zijn uitgevoerd met andere apparatuur en andere doseringen dan het goedkope gadget dat men daadwerkelijk aanschaft.

Wat de wetenschappelijke literatuur zegt over acupunctuur

Acupunctuur behoort tot de best onderzochte niet-conventionele behandelvormen. Een overzichtsstudie die de systematische reviews en meta-analyses van 2017 tot 2022 in kaart bracht, evalueerde 862 reviews die samen 184 medische aandoeningen bestreken. Die omvang maakt het veld tegelijk overzichtelijk en onoverzichtelijk: er is veel, maar het is ongelijk van kwaliteit.
De hieronder samengevatte lijn is gebaseerd op onderzoek geïndexeerd in PubMed, aangevuld met de klinische richtlijnen die daaruit zijn voortgekomen.

Waar het bewijs het sterkst staat

In dezelfde overzichtsstudie werd voor tien aandoeningen bewijs van positief effect vastgesteld: chronische pijn, lage rugpijn, knieartrose, postoperatieve misselijkheid en braken, migraine, spanningshoofdpijn, kankergerelateerde vermoeidheid, menopauzale klachten en vrouwelijke infertiliteit. Voor tweeëntachtig andere aandoeningen werd bewijs van positief tot mogelijk positief effect gevonden; bij een klein aantal werd geen effect vastgesteld.

Richtlijnen

Het duidelijkste signaal komt niet uit afzonderlijke studies maar uit klinische richtlijnen. De Britse NICE-richtlijn over chronische pijn beveelt aan om bij mensen vanaf zestien jaar met chronische primaire pijn één behandelreeks acupunctuur of dry needling te overwegen, binnen een traditioneel Chinees of westers acupunctuursysteem.
Die aanbeveling is bewust begrensd, en die begrenzing hoort erbij: de reeks mag niet meer dan vijf uur zorgtijd omvatten en moet worden uitgevoerd door een zorgverlener met passende opleiding. Bovendien staat diezelfde instantie in haar richtlijn over lage rugpijn en ischias juist afwijzend tegenover acupunctuur — een tegenstelling die het gevolg is van verschillende beoordelingskaders per richtlijn, niet van nieuwe gegevens.
Wie het eerlijk samenvat, zegt dus: erkend binnen grenzen, niet erkend daarbuiten, en de grens ligt niet overal even logisch.

De methodologische knoop

Het kernprobleem van acupunctuuronderzoek is de controlegroep. Om een specifiek effect aan te tonen moet men de behandeling vergelijken met een schijnbehandeling die er identiek uitziet maar fysiologisch niets doet. Dat blijkt niet te bestaan.

Onderzoekers argumenteren dat sham-acupunctuur niet als een geldige placebo kan gelden, omdat ook zij het somatosensorische systeem activeert via tactiele prikkeling — en dat is precies een onderdeel van het werkingsmechanisme van acupunctuur. Sham-acupunctuur blijkt niet alleen de verwachte aspecifieke effecten op te roepen, maar ook eigen specifieke effecten, waardoor het misleidend is haar gelijk te stellen aan een placebo.
De consequentie snijdt twee kanten op, en dat moet gezegd. Enerzijds kan het gebruik van echte acupunctuurpunten in de shamgroep het werkelijke effect van acupunctuur onderschatten. Anderzijds betekent het dat de vraag naar puntspecificiteit — of het uitmaakt wáár precies geprikt wordt — met de huidige onderzoeksopzet niet sluitend beantwoord is.

Dat er klinisch effect optreedt, is goed onderbouwd. Waaraan dat effect precies toe te schrijven is, is dat minder.

Laseracupunctuur in het bijzonder

Voor laseracupunctuur specifiek is de literatuur nog jong en minder omvangrijk dan voor naaldacupunctuur.

Een systematische review met meta-analyse concludeerde dat bewijs van matige kwaliteit de effectiviteit ondersteunt bij musculoskeletale pijn, mits toegediend in een passende dosering — met dien verstande dat de positieve effecten zich pas bij langetermijnopvolging aftekenden en niet onmiddellijk na afloop van de behandelreeks.

Een meta-analyse van negenenveertig gerandomiseerde studies met pijn als primaire uitkomstmaat rapporteerde gunstige effecten ten opzichte van placebo, zowel aan het einde van de behandeling als tijdens de opvolgingsperiode; subgroepanalyses voor myofasciale pijn, triggerpoints, epicondylitis lateralis en temporomandibulaire pijn toonden effect op korte én lange termijn.

Het parameterprobleem uit de fotobiomodulatie keert hier terug, en het weegt zwaarder: bovenop de dosering komt de puntkeuze. Eén nuance is daarbij op zijn plaats. Het probleem is niet dat de benodigde precisie technisch onhaalbaar zou zijn. Gekalibreerde meetapparatuur voor vermogen, golflengte en bundelprofiel bestaat en wordt in fysisch onderzoek routinematig ingezet. Het probleem zit in de klinische literatuur zelf: veel studies vermelden enkel de opgave van de fabrikant in plaats van een eigen meting, waardoor niet na te gaan is welke dosis werkelijk is toegediend. Dat betekent dat het obstakel oplosbaar is, niet dat het opgelost is. Zolang studies onderling verschillende parameters gebruiken en die onvolledig rapporteren, blijven de resultaten moeilijk vergelijkbaar — hoe nauwkeurig een individueel toestel ook doseert.

Een aantekening uit de praktijk

Onderzoek werkt met afgebakende aandoeningen bij groepen patiënten. De praktijk werkt met individuele mensen bij wie de klachten zelden zo netjes afgebakend zijn. Dat verschil is geen detail: het bepaalt wat een studie kan meten en wat ze onvermijdelijk laat liggen.

Veel van wat zich in een consultatie voordoet, valt buiten elk onderzoeksprotocol. Sommige vragen worden nooit onderzocht omdat ze te zeldzaam zijn, te samengesteld, of commercieel oninteressant. Een muzikant met een haperende trompet-embouchure zal in geen enkele meta-analyse voorkomen.

Wat een behandelaar daar waarneemt, is geen bewijs. Individuele waarneming kent te veel storende factoren om die status te claimen. Maar het is ook niet niéts: het is de laag waarop klinisch redeneren gebeurt, en waaruit onderzoeksvragen ontstaan.

Laten we gaan uitzoeken wat we voor ú, in úw situatie kunnen doen.

Geen giswerk; diepgaand, persoonlijk en geheel vertrouwelijk; neem gerust en geheel vrijblijvend contact op.